
Ons afscheid van het hotel ‘in den blet’ verliep niet echt op wieltjes. Het begon met mijn teergeliefde die door een vreemde stem in de badkamer pas op dat moment besefte dat ze per vergissing een hotelkamer van iemand anders was binnengevallen. Even later kwam er plots een felle mist op waardoor we verplicht binnen moesten ontbijten.
Nadat we veel te dik gesneden hesp en flauwe kaas achter de kiezen hadden gestoken, gezeten op krakkemikkige houten stoelen uit het begin van de vorige eeuw, stelde ik dan ook nog een dubbele aanrekening vast in de factuur én kregen we via onze buurman te horen dat de Republique Française ons een vriendelijk schrijven had gestuurd. Zucht.

We waren dus blij dat we daar weg waren en reden voor de tweede keer deze vakantie naar het barre Noorden. Het bochtenwerk dat ik voor de laatste keer diende op te knappen deed ik met plezier, mede door de muziek van Moby, een doordachte keuze van mijn teergeliefde DJ.
We stopten even in Villefranche de Rouergue, even een marktje bezocht en hop, dan weer weg.


Daarna strekten we de beentjes nog eens in Figeac, we konden het niet laten.


Na een zeer aangename rit, totaal niet ervaren als een onderdeel van de terugreis, arriveerden we in Saint-Céré, waar het moderne stadsgedeelte voor een keer groter was dan het pittoreske historisch centrum.


Er waren verschillende restaurants die er verwelkomend uitzagen maar we besloten toch om in ons hotel te eten. De reden lag voor de hand: het hotel lag in een natuurgebied van acht hectare, naast een golfterrein, en stond bekend voor een uitmuntende keuken. Niets daarvan bleek achteraf gelogen!
Tot morgen!
Morgen: twee witte konijnen










