Niets gevonden?

Gisteren was ik iets vergeten te vertellen. Toen we in het achterafhotelletje de kalkoen en de Aligot kaas (die erg sterk leek op puree) aan het verorberen waren, kwam plots de dienster met een bezorgd gezicht naar onze tafel. Ze vroeg ons of we in onze kaas niets aangetroffen hadden want de chef was een stuk van zijn spatel kwijt. Hilarisch!

Na het ontbijt om 8u30, op het terras met al een aangename temperatuur van 23 graden, reden we de korte afstand naar Albi. We waren vastbesloten om ons bij ons voornemen te houden en niet te snel te stappen, om nu eens rustig te kuieren door de straten. En dat is ons wonderwel gelukt.

Albi leende zich daar ook toe. De stad was als die Russische popjes: je doet eentje open en er verschijnt een andere, en dan nog een, enzovoort. Steeds weer ontvouwde een ander deel van de stad zich voor onze ogen en kwamen we weer in een leuke buurt terecht.

De grote blikvanger van Albi, de kerk van Saint-Cecile, een van de grootste bakstenen kerken in heel Europa, vonden wij oerlelijk. Vanop afstand leek ze volgens ons meer op een gigantische brouwerij dan wat anders.

We waren dat immense gebouw anderzijds wel dankbaar voor de schaduw die ze wierp op die leuke bar waar we enige tijd konden verpozen.
In de late namiddag vertrokken we naar Ambialet, een onooglijk plaatsje in de volle natuur, aan de oevers van die rivieren waar Frankrijk terecht trots op mag zijn: de Tarn.

Het speciale van die plek is dat de Tarn daar een kronkel maakt en dan ogenschijnlijk op zijn stappen terugkeert. Daardoor werd er een heel smal schiereiland gecreëerd waar zich in de loop der tijden een kleine nederzetting ontwikkeld heeft.

We hadden snel door dat dit een paradijs was voor wandelaars en rustzoekers maar dat er ook een keerzijde was aan de medaille. Er was daar echt niets te beleven. Het spreekwoordelijke hol van Pluto. In de woorden van mijn teergeliefde: ‘we zijn in de aap gelogeerd’.

Na een korte wandeling trokken we naar het zwembad van het hotel maar daar waren we al snel weer weg. Alle parasols waren blijkbaar geknakt door een zomerstorm van enkele dagen geleden, waardoor er geen streepje schaduw te vinden was, en dat bij 34 graden.

Zicht vanuit het hotel

We aten ‘s avonds in het hotel, omdat we verleid waren door het spectaculaire landschap rondom ons maar ook door al die indrukwekkende diploma’s van de kok die aan de muur hingen.
Op het landschap geraakten we niet uitgekeken, dat moet gezegd worden, en op de gerechten ook niet, maar om een geheel andere reden.
Misschien had de kok last van de warmte of was hij van de brug gesprongen en had een stagiair zijn plaats ingenomen. We weten het niet maar het was alleszins een boeltje!

Tot morgen!

Morgen: Oorverdovende stilte

Plaats een reactie