
Toen we ontsnapt waren aan de wurgpogingen van ons opdringerige douchegordijn, was het tijd voor het ontbijt. Het morgendmaal, zoals mijn overgrootmoeder het altijd noemde, werd tot onze teleurstelling binnen geserveerd. Toen ik de ontbijtruimte binnen stapte, leek het of ik terecht gekomen was in een jeugdhuis. Aan tafel zat een groep van een twintigtal jonge meisjes, met alle auditieve gevolgen vandien. In een hoek vond ik de volautomatische koffiemachine maar ik werd onmiddellijk de weg ernaartoe ontzegd. De machine mocht enkel bediend worden door een oude kale man. Moest hij gekund hebben, hij had er prikkeldraad rond gelegd. Stel je voor dat er iemand te hard op die knop zou drukken.

Met de bus trokken we naar Kamari Beach, een groot grijs kiezelstrand met langs de straat talloze bars, tavernes en restaurants. We kregen voor de spotprijs van tien euro twee ligbedden en een parasol voor de hele dag. Kon niet beter. Er was zelfs een strandbar op vijftig meter afstand waar je werkelijk alles van eten en drinken kon vinden en waar je onder de bomen ook even kon chillen.

Behalve de laag overvliegende vliegtuigen, waarvan we nu de uurregeling zomaar kunnen afdreunen, en de acrobatische mussen die zich zwaluwen waanden en onvervaard tussen de ligstoelen door scheerden, was er niet veel te vertellen over deze zalige dag.

In de vooravond ondernamen we een wandeling naar Imerovigli, een dorpje hoger gelegen dan Fira en waar je eveneens overdonderd geraakt door prachtige uitzichten op de Caldera, de krater van de vulkaan.

‘s Avonds ondervonden we dat het niet zo evident was als op de andere eilanden om het juiste restaurant te vinden. De sterk opgekomen wind maakte het ook al niet makkelijker. We lieten ons verleiden door Lithos, waar we op de dakverdieping plaatsnamen, beschut achter glas. Dat viel goed mee maar dat kon jammer genoeg niet gezegd worden van de mozarella die duidelijk geen mozarella was maar eerder aanleunde bij een stukje rubber. En het kon evenmin gezegd worden van de talenkennis van de ober die het woordje ‘Fish’ niet kende. Na een half uur nagelbijtend afwachten kwamen er gelukkig wel degelijk twee gegrilde zeebaarsen aan. De kok had zelfs de naam van het restaurant in kruiden op ons bord gespeld. Schattig!
Tot morgen!
Morgen: de laatste dag










