
Gisteren was het gedaan met de enthousiaste huismerel en de luidruchtige krekels. Inpakken en wegwezen was de boodschap, op naar het zuiden van Evia. Een rit van minder dan twee uur met als doel het dorp Karystos.

Weidse vergezichten, bergdorpen met verrassend mooie huizen en plots opdoemende haarspeldbochten maakten dat de rit nooit saai werd. Zoals altijd stopten we na een tijdje om een frappé te drinken, een zalige gewoonte is dat geworden.

Deze keer gebeurde dat in het kustplaatsje Nea Skyra dat sterk leek op de andere die we al hadden gefrequenteerd maar daardoor niet slechter uit de bus kwam. In het café werden we zoals elke keer verwonderd aangekeken door de locals. We verstaan (nog) geen Grieks maar we zijn er zeker van dat ze zich afvroegen wat wij daar in hemelsnaam kwamen doen als enige toeristen.

Vanzelfsprekend stonden daar net als in alle andere kustplaatsjes de houten tafeltjes en stoeltjes klaar die de passanten uitnodigen om te gaan zitten, een Grieks slaatje van acht euro te verorberen en alles door te spoelen met een glaasje wijn.

We maakten van ons hart echter een steen en vervolgden onze weg langs ontelbare hagen van oleanders en ogenschijnlijk verlaten steengroeven.
Toen we Karystos naderden kregen we zicht op de Petalioi eilanden, negen onbewoonde eilandjes die door hun witte stranden in het verleden vele groten der aarde zoals Churchill en Onassis aantrokken. Ook speciaal daar ter plekke is dat de zee bergaf gaat en dat heeft totaal niets te maken met de fotografeerkunsten van mijn teergeliefde.


Die groten der aarde zouden alleszins best niet de kamer boeken die wij geboekt hadden in hotel Karystion. 17 vierkante meter oppervlakte is ok maar ze was zo volgestouwd met overbodige decoratie, twee veel te grote vuilnisbakken, drie krukjes, een bankje, teveel om op te noemen. Een geluk dat wij vroeger veel Tetris speelden wat ons toeliet om al onze spullen in gaten en kasten te steken om alles te doen passen en uit de weg te krijgen.

En dan zwijg ik nog nog van de badkamer van anderhalve vierkante meter met de wasbak die op de gang moest staan en een stoffen (!) douchegordijn dat recht uit een pashokje van een boetiek leek te komen.

‘s Avonds aten we op het terras van het restaurant in ons hotel, bij een zalige temperatuur, met zicht op de tuin en onder het strenge toezicht van de huiskatten die ons hielpen om niets verloren te laten gaan.
Tot morgen!
Morgen: de switch









