We lieten de vrolijke jonge dames in Pont de L’Orme en de zwetende fietsers in Malaucène achter ons en zetten koers naar één van de twee bestemmingen die mijn teergeliefde vooraan op haar lijstje gezet had.
Omdat het gisteren zaterdag 13 juli was, had ik uit angst voor files op de autosnelwegen beslist om de trip van zo’n 150 km via de binnenwegen af te leggen. Zo gezegd maar niet zomaar gedaan. Uiteindelijk zijn we met Slow Travel in gedachten ongeveer een vijf uur (!) onderweg geweest, weliswaar met enkele tussenstops,

Sault was daar eentje van, en ook daar bezetten de fietstoeristen de straten, met plunjes in alle kleuren van de regenboog.
Via duizend en één bochten reden we verder in wat op bepaalde momenten een purperen zee leek. Toen mijn teergeliefde zich plots luidop afvroeg wat er toch zo speciaal is aan die Montoux berg, heb ik van het lachen bijna één van de bochten gemist.

Verder naar Banon, een dorpje dat zonder medelijden in twee gesneden werd door een grote steenweg maar daar optimaal van profiteert door toeristen te verleiden met onder meer aanlokkelijke terrasjes waar het heerlijk lunchen is.

Duizelig van de U- en de S-bochten stopten we nog even in een ander minuscuul dorpje waarvan ik de naam al vergeten ben en kwamen we tenslotte aan op onze bestemming voor de volgende twee dagen.

Al snel bleek dat de naamsverwarring weer had toegeslagen in het hoofd van mijn teergeliefde. Ze verwarde blijkbaar Moustiers met een heel andere plek. De herinnering waarop ze zich gebaseerd had, was dat we daar op een heel steile parking geparkeerd stonden. That’s it. Puf.

’s Avonds was er onze traditionele tête à tête en met het vuurwerk voor de Nationale feestdag (de dag erna) werd weer een mooie dag te slapen gelegd, en hetzelfde gold voor ons.
Tot morgen!
Morgen om 18u30: Het pootjesbad
Als je naar deze streek gaat, neem dan zeker een wasspeld mee tegen de alomtegenwoordige geur van lavendel en een kotszakje voor in de bochtige wegen, je weet maar nooit.









